Ad Hoc Vraag over akkoorden inzake arbeidsmobiliteit met niet-EU/EER-landen

Deze ad hoc vraag vergelijkt het bestaan, het type en de reikwijdte van bilaterale of multilaterale akkoorden inzake arbeidsmobiliteit tussen EMN-leden en waarnemerslanden en niet-EU/EER-landen, inclusief of ze gericht zijn op algemene of sectorspecifieke mobiliteit, beschermingsbepalingen bevatten, en mechanismen voor monitoring of evaluatie voorzien.

Achtergrond:

Gezien de significante tekorten op de arbeidsmarkt, overweegt Slowakije momenteel de ontwikkeling van nieuwe partnerschappen voor arbeidsmobiliteit met niet-EU of EER (Europese Economische Ruimte) landen. Deze ad hoc vraag is bedoeld om deze discussies te ondersteunen door actuele informatie te verzamelen van EMN-leden en waarnemende landen. Waarnemende landen worden uitgenodigd om inzichten te delen over hun samenwerking met EU/EER-staten en andere niet-EU/EER-partners.

Deze ad hoc vraag is een update van o.a. de ad-hoc vraag over bilaterale overeenkomsten en programma’s inzake legale migratie tussen lidstaten en derde landen, de EMN Inform over 'Skills Mobility' partnerschappen en de EMN-studie over arbeidsmigratie in tijden van arbeidskrapte (binnenkort gepubliceerd). Daarnaast wordt specifiek informatie gevraagd over de opname van beschermingsbepalingen, evenals monitoring- en evaluatiemechanismen binnen de geïdentificeerde arbeidsmobiliteitsovereenkomsten.

Respondenten:

25 EMN-leden en waarnemende landen (waaronder BE) gaven een publiek antwoord op deze ad hoc vraag.

Bevindingen:

Een voorlopige analyse van de resultaten wijst onder andere uit dat:

  • Landen met overeenkomsten: Een aantal respondenten heeft bilaterale arbeidsmobiliteits- of partnerschapsovereenkomsten gesloten met niet-EU/EER-landen. Dit betreft onder andere AT, BE, BG, CY, CZ, DE, EL, FI, FR, HR, IE, IT, LV, LT, LU en PL. De overeenkomsten bestrijken een breed scala aan regio’s, met name Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Sommige zijn volledig operationeel, andere zijn ondertekend maar nog niet geïmplementeerd.
     
  • Landen zonder overeenkomsten: Sommige lidstaten meldden geen arbeidsmobiliteitsovereenkomsten met niet-EU/EER-landen te hebben, zoals EE (hoewel er lopende gesprekken zijn met India), HU, NL en SE.
     
  • Scope: Sommige overeenkomsten hebben betrekking op algemene arbeidsmobiliteit (bijv. FI, FR, HR), terwijl andere meer sectorspecifiek of op bepaalde vaardigheden gericht zijn, met name in de gezondheidszorg, seizoensarbeid in de landbouw, toerisme/horeca en gespecialiseerde beroepen (bijv. AT met de Filipijnen, CY met Egypte, IE met Pakistan en Sudan voor medische afgestudeerden).
     
  • Bescherming: Veel overeenkomsten bevatten bepalingen zoals gelijke behandeling met staatsburgers, gestandaardiseerde arbeidscontracten, pre-departure oriëntering en mechanismen voor geschillenbeslechting (bijv. BG, CY, DE, EL, HR, IT, LT). Daarentegen missen jeugd- en werkvakantieprogramma’s (bijv. CZ, LV) vaak dergelijke gedetailleerde beschermingen.
     
  • Monitoring en evaluatie: In meerdere gevallen wordt de uitvoering ondersteund door gezamenlijke commissies of bilaterale werkgroepen (bijv. DE, EL, FI, IT, LT). Sommige landen rapporteerden echter beperkte of geen formele monitoringmechanismen (bijv. BG, LV).
     
  • Goede praktijken geïdentificeerd door verschillende leden en waarnemende landen: Deze omvatten pilootprojecten die mobiliteit combineren met training en ontwikkeling (BE - Global Skills Partnership-projecten), juridische kaders die gelijke rechten waarborgen (LT-overeenkomst met Oekraïne), gestructureerde pre-departure en post-arrival ondersteuning (CY, DE), en benaderingen gericht op ethische aanwerving (DE, FI).

Meer informatie vindt u in bovenstaande compilatie van antwoorden.

Publication Date:
do 07 aug 2025
Geografie:
Hoofdthema:
Publicatietype:
Opdrachtgever:
EMN
Trefwoorden: