Ad Hoc Vraag over bestaande bilaterale overeenkomsten en programma's inzake legale migratie tussen lidstaten en derde landen
Door de toegenomen behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten voeren de lidstaten steeds meer onderhandelingen over bilaterale overeenkomsten en programma's met derde landen over arbeidsmobiliteit. Om een overzicht te krijgen van de huidige stand van zaken en om deze kwestie beter te coördineren, heeft de Europese Commissie de EMN-lidstaten gevraagd informatie te verstrekken over alle bilaterale overeenkomsten of programma's ter ondersteuning van mobiliteit uit derde landen.
Achtergrond:
Met het oog op een duurzaam samenwerkingskader op het gebied van legale migratie dat bijdraagt aan het strategische migratiebeheer, heeft de Europese Commissie Talent Partnerships ontwikkeld met belangrijke partnerlanden. Deze partnerschappen omvatten ook bestaande bilaterale overeenkomsten en initiatieven op het gebied van arbeidsmigratie.
Om een beter zicht te krijgen op dergelijke overeenkomsten en initiatieven, heeft de Europese Commissie een ad hoc vraag gelanceerd om na te gaan 1) of de EMN-lidstaten bilaterale overeenkomsten over arbeidsmigratie of andere formele samenwerkingsvormen (bv. memorandum van overeenstemming, protocol, briefwisseling, enz.) hebben die een component over arbeidsmigratie met derde landen bevatten, en 2) of de EMN-lidstaten bilaterale programma's/projecten ter ondersteuning van mobiliteit uit derde landen beheren/financieren (naast de programma's/projecten die door de EU worden gefinancierd). De EMN-lidstaten werd verzocht te specificeren met welke landen en in welke sectoren en hoeveel personen in 2022 toekwamen op basis van dergelijke overeenkomsten/programma's/projecten.
Respondenten:
24 Lidstaten, waaronder België, hebben de ad hoc vraag beantwoord.
Bevindingen:
In het geval van BE werden op federaal niveau in de jaren '60 enkele bilaterale overeenkomsten gesloten met Marokko, Turkije, Algerije, Tunesië en Joegoslavië, alsook met Spanje en Italië. Na de vorige Belgische grondwetshervorming werd de bevoegdheid voor economische migratie toegekend aan de drie Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap. Afgezien van de Spaanse en Italiaanse onderdanen, die volledige toegang hebben tot de interne markt, hebben de bilaterale overeenkomsten een verschillend effect in de verschillende Gewesten.
In het Waalse Gewest bijvoorbeeld, bepaalt artikel 3, paragraaf 1, 1° van het besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2019, betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, dat de toegang tot de arbeidsmarkt voor onbepaalde duur wordt toegekend aan onderdanen van derde landen die gedurende een periode van drie jaar legaal en ononderbroken in België hebben verbleven en wanneer deze personen onderdanen zijn van een land waarmee België gebonden is door internationale verdragen of overeenkomsten betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Voor de Duitstalige Gemeenschap worden aanvragen voor een arbeidsvergunning in principe in eerste aanleg afgewezen wanneer ze worden ingediend door onderdanen van derde landen die niet de nationaliteit hebben van één van de landen waarmee België een overeenkomst heeft gesloten.
Er bestaan geen bilaterale programma's/projecten ter ondersteuning van mobiliteit die worden beheerd door overheidsinstanties, naast de programma's die worden ondersteund door EU-financiering.
Op vergelijkend EU-niveau blijkt uit de compilatie van de antwoorden op de ad hoc vraag ook dat:
- Negen landen (CY, CZ, EE, HR, IT, LV, NL, PL en SE) gaven aan dat ze geen projecten of overeenkomsten hadden. HU gaf aan geen overeenkomsten te hebben, maar dat bepaalde geregistreerde wervingsbedrijven onderdanen van derde landen in een snellere en eenvoudigere procedure in dienst kunnen nemen als de werknemer een staatsburger is van een land dat op de lijst staat van landen waarvan de burgers een vereenvoudigde procedure voor arbeidsmigratie genieten (landenlijst), en werk zoekt in bepaalde beroepen (beroepenlijst).
- Ten minste zeven landen (BE, BG, EL, FI, FR, LT en LU) gaven aan dat ze een vorm van formele samenwerking met derde landen hebben op het gebied van arbeidsmigratie, maar geen bilaterale programma's/projecten.
- DE, ES, SK en SL gaven aan dat ze zowel formele samenwerking als bilaterale programma's en projecten hebben.
Voor meer informatie kunt u de compilatie van antwoorden hierboven lezen.