Inburgeringsmaatregelen als belangrijk instrument voor de integratie van derdelanders (EMN-OESO Inform)
Deze inform gaat over de doelstellingen van inburgeringscursussen en de vereisten voor de integratie van onderdanen van derde landen; identificeert de bevoegde autoriteiten en de toewijzing van kosten; identificeert de inhoud van inburgeringsoriëntatie- of opleidingscursussen en hoe deze worden uitgevoerd (d.w.z. modaliteiten); en verzamelt beste praktijken van EMN-leden en waarnemende landen om nuttige inzichten te verschaffen in de verbetering van de uitvoering van verschillende integratie-instrumenten.
Deze gezamenlijke inform van het Europees Migratienetwerk (EMN) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) geeft een overzicht van inburgeringsprogramma's voor onderdanen van derde landen in EMN -leden (EU-Lidstaten behalve Denemarken) en waarnemende landen en in OESO-landen die geen lid zijn van de EU.
Hieruit blijkt onder andere dat:
- 22 EMN-leden en waarnemende landen inburgeringscursussen aanbieden voor legaal verblijvende onderdanen van derde landen, maar de doelgroepen variëren sterk. Personen die internationale bescherming genieten, zijn qua aantal de belangrijkste groep, die in bijna alle responderende landen aan bod komt. Personen die tijdelijke bescherming genieten zijn opgenomen in 14 responderende landen en legaal verblijvende onderdanen van derde landen komen aan bod in 13 van de responderende landen.
- De verantwoordelijkheid voor het aanbieden van inburgeringscursussen of -opleidingen ligt in 14 EMN-leden bij één enkel ministerie, waaronder de ministeries van Binnenlandse Zaken, Arbeid, Werkgelegenheid en/of Sociale Zaken, Onderwijs, Gezin, Jeugd en Kinderen en Culturele Zaken. Sommige landen, zoals Nederland, Finland en Zweden, hebben belangrijke verantwoordelijkheden gedelegeerd aan gemeenten.
- De financiering van inburgeringscursussen komt voornamelijk van de overheid, zodat de deelnemers de kosten niet hoeven te dragen. Verschillende landen meldden dat cursussen en trainingen, op zijn minst gedeeltelijk, worden gefinancierd door de Europese Unie. Ondanks de algemene trend van overheidsfinanciering zijn er uitzonderingen. In Oostenrijk en België (Vlaanderen), bijvoorbeeld, moeten deelnemers bijdragen aan bepaalde cursuskosten.
- De inhoud van inburgeringscursussen concentreert zich op vier kernelementen: het begrijpen van de sociale, politieke en culturele realiteit van het gastland; het leren van de regels, rechten en plichten binnen de samenleving; het bevorderen van integratie; en het zorgen voor toegang tot gelijke kansen. Landen als Estland, bijvoorbeeld, hebben deze programma's aangepast voor specifieke doelgroepen zoals ondernemers en studenten, wat de op maat gemaakte aard van deze integratie-inspanningen verder illustreert.
- Deelname aan deze cursussen kan verplicht of vrijwillig zijn, afhankelijk van het nationale beleid en de specifieke migrantengroep. In landen als Nederland en Frankrijk zijn deze cursussen verplicht voor onderdanen van derde landen die een langdurig verblijf nastreven. Afwezigheid kan negatieve gevolgen hebben, zoals aantasting van de verblijfsstatus of financiële sancties.
- De meeste landen passen de trainingsschema's aan om rekening te houden met andere verplichtingen van de deelnemers, zoals werk en kinderopvang. In de helft van de responderende landen wordt kinderopvang aangeboden, zodat ouders de cursussen kunnen bijwonen. Oostenrijk en Finland bieden genderspecifieke cursussen aan, terwijl Duitsland voorzieningen heeft getroffen voor deelnemers met een handicap.
- Er worden steeds meer digitale methoden gebruikt om meer flexibiliteit te bieden. Frankrijk en Polen hebben bijvoorbeeld mobiele applicaties ontwikkeld. Online en hybride cursussen zijn ook beschikbaar in 14 responderende landen, waardoor de toegang tot deze essentiële programma's wordt uitgebreid. Er blijven echter uitdagingen met betrekking tot de betrokkenheid en de kwaliteit van het leren in dergelijke formaten. Ondanks deze hindernissen bieden digitale platforms een kosteneffectieve oplossing, vooral voor landen met een verspreide migrantenbevolking.
- Het beoordelen van de effectiviteit van inburgeringsprogramma's is een prioriteit geworden. De manier waarop succes wordt gemeten kan variëren, waarbij 14 responderende landen voornamelijk de aanwezigheid bijhouden. Andere landen, zoals Frankrijk, hebben eindtoetsen ingevoerd om de kennis van de deelnemers te evalueren . Daarnaast maken zeven landen gebruik van feedbackenquêtes om kwalitatieve inzichten te krijgen in de effectiviteit van het programma.
- Landen als België, Estland, Nederland en Oostenrijk hebben uitgebreide evaluaties uitgevoerd om hun inburgeringsprogramma's te verbeteren en hebben maatregelen genomen zoals het verlengen van de duur van de cursussen. Finland en Zweden evalueren ook hun inburgeringsprogramma's om toekomstige beleidswijzigingen te onderbouwen. In totaal voeren 16 respondentlanden formele evaluaties uit.
Meer informatie vindt u in de inform in bijlage.