Ad Hoc Vraag over verlenging van de Dublin-overdrachtstermijn

Deze ad hoc vraag onderzoekt of de nationale wetgeving voorziet in een formele beslissing tot verlenging van de Dublin-overdrachtstermijn die losstaat van de eigenlijke overdrachtsbeslissing, en of tegen een dergelijke beslissing beroep kan worden aangetekend. Daarnaast brengt het de bestaande wettelijke bepalingen in kaart met betrekking tot onderduiken ("absconding") in samenhang met de verlenging van overdrachtstermijnen. Tot slot peilt de ad hoc vraag naar de nationale praktijken wanneer een verzoeker onderduikt en vervolgens weer verschijnt.

Achtergrond:

Volgens Artikel 29 van de Dublin Verordening (Verordening (EU) nr. 604/2013) moeten Dublin overdrachten gebeuren binnen de zes maanden. Als deze termijn wordt overschreden, verschuift de verantwoordelijkheid naar de verzoekende lidstaat. De termijn kan worden verlengd tot één jaar in geval van gevangenzetting, of tot maximaal 18 maanden indien de verzoeker onderduikt.

De Belgische wetgeving voorziet momenteel in een formeel besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn, dat losstaat van het overdrachtsbesluit. In het kader van wetswijzigingen om Verordening (EU) 2024/1351 (AMMR) om te zetten in Belgisch recht, wordt overwogen om dit afzonderlijke besluit af te schaffen. België zoekt daarom informatie over de wettelijke kaders en praktijken van andere EU-lidstaten met betrekking tot de verlenging van overdrachtstermijnen.
 

Respondenten:

Niet minder dan 23 EU-Lidstaten (waaronder BE) hebben een openbaar antwoord op deze query verstrekt.
 

Bevindingen:

Een voorlopige analyse van de resultaten van de ad hoc vraag toont o.a. het volgende aan:

  • De meeste respondenten (AT, BG, HR, CY, CZ, EE, FI, FR, DE, GR, IE, IT, LV, LT, LU, PL, SK, SI, ES, SE) vaardigen geen formele beslissing tot verlenging van de Dublin-overdrachtstermijn uit die losstaat van de overdrachtsbeslissing zelf. Enkel BE en NL voorzien in een afzonderlijke beslissing, terwijl in HU de verlenging wordt opgenomen in het initiële overdrachtsbeslissing indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, anders wordt er geen aparte beslissing genomen.
     

  • De meeste landen staan geen afzonderlijk beroep toe, aangezien er geen formele beslissing tot verlenging van de termijn bestaat. Sommige van deze landen (FI, FR, IT en SE) gaven aan dat, hoewel de verlenging zelf niet vatbaar is voor beroep, gerelateerde kwesties (zoals onderduiken of het ontbreken van juridische gronden) wel kunnen worden aangekaart in een beroep tegen het overdrachtsbesluit. BE en NL voorzien in een beroepsmogelijkheid tegen het formele verlengingsbesluit, terwijl in HU een verlenging in principe kan worden aangevochten, hoewel er geen gevallen bekend zijn.
     

  • De meeste landen hebben geen specifieke bepalingen die onderduiken koppelen aan de verlenging van de overdrachtstermijn. Sommige daarvan verwijzen naar (nationale of Europese) rechtspraak of merken op dat het risico op onderduiken in andere contexten wordt behandeld (bijvoorbeeld in het kader van detentie in LU). Alleen BE en NL gaven details over wettelijke bepalingen die specifiek betrekking hebben op onderduiken in deze context.
     

  • In de meeste landen wordt bij onderduiken de verantwoordelijke lidstaat op de hoogte gesteld en wordt de overdrachtstermijn verlengd conform Artikel 29, lid 2, van de Dublin-verordening. In tegenstelling tot BE, waar de verzoeker ook op het laatst bekende adres op de hoogte wordt gesteld, informeren sommige landen de verzoeker niet over de verlenging van de overdrachtstermijn (bijv. CY, FR, LU).
     

  • De praktijken rond verzoekers die opnieuw opduiken, hangen af van de omstandigheden en het tijdstip van verschijning. De wijze van verschijning (vrijwillige aanmelding of interceptie) kan invloed hebben op de verplichtingen van de verzoeker, waaronder meldingsplicht of (alternatieven voor) detentie. Als de verschijning plaatsvindt terwijl de overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat nog uitvoerbaar is (d.w.z. binnen de verlengde overdrachtstermijn), blijft het bestaande overdrachtsbesluit doorgaans gehandhaafd en is er geen nieuw besluit nodig. Indien de verlengde overdrachtstermijn is verstreken, verschuift de verantwoordelijkheid in de regel naar de lidstaat waar de verzoeker opnieuw verschijnt.

Meer informatie vindt u in bovenstaande compilatie van antwoorden.

Publication Date:
wo 11 mrt 2026
Geografie:
Hoofdthema:
Publicatietype:
Opdrachtgever:
EMN
Trefwoorden: