Ad Hoc Vraag over verblijfsvergunningen voor slachtoffer van migrantensmokkel
Op grond van Richtlijn 2004/81/EG van de Raad hebben EU-lidstaten de mogelijkheid om verblijfsvergunningen te verlenen aan onderdanen van derde landen die hulp hebben gekregen bij illegale immigratie, zoals mensensmokkel. Deze ad hoc vraag probeert in kaart te brengen welke lidstaten deze mogelijkheid hebben geïmplementeerd en in welke mate deze verblijfsprocedure in de praktijk wordt toegepast.
Achtergrond:
Richtlijn 2004/81/EG van de Raad stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van verblijfsvergunningen aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn of zijn geweest van mensenhandel (zie EMN Glossarium: “Mensenhandel”). Volgens artikel 3, lid 2 kunnen lidstaten besluiten de werkingssfeer van de richtlijn uit te breiden tot “onderdanen van derde landen die hulp hebben gekregen bij illegale immigratie” (zie EMN Glossarium: “Facilitator”). Dit omvat onder andere mensensmokkel (zie EMN Glossarium: “Smokkelaar”, “Smokkel van migranten”).
In België is het toepassingsgebied van de speciale verblijfsprocedure voor slachtoffers van mensenhandel uitgebreid naar derdelanders die slachtoffer zijn van migrantensmokkel onder verzwarende omstandigheden (cf. artikels 61/2, 77bis en 77quater Vreemdelingenwet). Deze slachtoffers van mensensmokkel kunnen een verblijfsvergunning krijgen als ze samenwerken met de bevoegde autoriteiten, alle banden met de vermoedelijke smokkelaars verbreken en de steun van een erkend opvangcentrum aanvaarden.
Hoewel de Belgische verblijfsprocedure voor slachtoffers van mensensmokkel sinds 2007 van kracht is, zijn er tot op heden relatief weinig van deze procedures opgestart. Tijdens een parlementair debat in 2020 verklaarde de FOD Justitie dat de procedure voor de aanvraag van deze verblijfsstatus moest verbeteren. In deze context wilde EMN België graag weten of andere EU lidstaten gelijkaardige speciale verblijfsprocedures hebben voor slachtoffers van mensensmokkel.
Respondenten:
22 landen die lid en waarnemer zijn van het EMN (waaronder BE) hebben publiekelijk geantwoord op deze ad hoc vraag.
Bevindingen:
Een voorlopige analyse van de resultaten van de ad hoc query toont aan dat:
- Van de 22 landen die hebben geantwoord, er slechts 3 (waaronder BE) voorzien in de expliciete mogelijkheid om verblijfsvergunningen te verlenen aan onderdanen van derde landen op basis van het feit dat ze het voorwerp zijn geweest van een actie om illegale immigratie te vergemakkelijken (bv. smokkel). In 6 bijkomende landen bestaat er een verblijfsprocedure voor “slachtoffers van misdrijven” of “uitzonderlijke omstandigheden”, waaronder ook personen kunnen vallen die het voorwerp zijn geweest van smokkel.
- De voorwaarden waaraan onderdanen van derde landen moeten voldoen om een verblijfsvergunning te krijgen op grond van het feit dat ze het slachtoffer waren van smokkel, verschillen van land tot land. In BE bepaalt de verblijfsprocedure zoals vermeld in artikel 61/2 van de Vreemdelingenwet dat de onderdaan van een derde land het slachtoffer moet zijn van migrantensmokkel met “verzwarende omstandigheden”. Deze omvatten situaties waarin het slachtoffer minderjarig of bijzonder kwetsbaar is, alsook situaties waarin de handeling om illegale immigratie te vergemakkelijken werd uitgevoerd met geweld of onder dwang, of waarin het leven van het slachtoffer opzettelijk in gevaar werd gebracht.
- Zelfs in landen waar de verblijfsprocedure bestaat, blijkt uit de gerapporteerde cijfers dat er in de praktijk zelden gebruik van wordt gemaakt. In BE werden tussen 2018 en 2022 slechts 81 verblijfsvergunningen afgegeven aan onderdanen van derde landen die hulp kregen bij illegale immigratie.
Meer informatie vindt u in bovenstaande compilatie van antwoorden.