Ad Hoc Vraag over mobiliteit binnen de EU voor internationale studenten (Richtlijn 2016/801)

Deze ad hoc vraag richt zich op de tenuitvoerlegging van artikel 31, lid 2, van Richtlijn 2016/801, waarin de voorwaarden voor de kennisgeving van mobiliteit van studenten tussen twee of meer EU-lidstaten worden uiteengezet. De vraag onderzoekt de procedure voor het melden van mobiliteit, bestaande regelingen bij het ontbreken van een officiële kennisgevingsprocedure en de regels die van toepassing zijn op studenten die vallen onder een EU-programma, een multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs, in tegenstelling tot de regels die van toepassing zijn op studenten die daar niet onder vallen.

Achtergrond:

Op 29 mei 2024 organiseerden de Franse autoriteiten een workshop voor beleidsmedewerkers belast met de opvang van internationale studenten in instellingen voor hoger onderwijs over mobiliteit binnen de EU voor internationale studenten.

Ter voorbereiding van deze workshop lanceerde EMN Frankrijk een ad hoc vraag om meer informatie te verkrijgen over de opvangregelingen die andere EU-lidstaten hanteren voor onderdanen van derde landen die zijn toegelaten voor studiedoeleinden door een andere EU-lidstaat, in het kader van een EU-programma of een multilateraal programma, en die voor een periode van maximaal 360 dagen op hun grondgebied verblijven, in toepassing van EU-richtlijn 2016/801 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten

Respondenten:

22 EMN landen (waaronder BE) beantwoordden deze ad hoc vraag (en gaven aan dat hun antwoord publiek mag worden gemaakt).

Bevindingen:

Uit een voorlopige analyse van de resultaten van de ad hoc vraag blijkt het volgende:

  • Van de 22 responderende landen hebben 14 lidstaten de voorwaarden voor het aanmelden van mobiliteit uit Richtlijn 2016/801 geïmplementeerd. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in artikel 31, lid 2, van de Richtlijn, waarin staat dat in geval van mobiliteit van studenten (tussen twee instellingen voor hoger onderwijs in verschillende lidstaten) de tweede lidstaat kan verzoeken officieel in kennis te worden gesteld van het voornemen van de student om te verhuizen.
     
  • Waar het ten uitvoer wordt gelegd, verschilt de procedure voor de kennisgeving van mobiliteit van lidstaat tot lidstaat. Artikel 31, lid 2, bepaalt dat de tweede lidstaat a) de instelling voor hoger onderwijs in de eerste lidstaat, b) de instelling voor hoger onderwijs in de tweede lidstaat of c) de student kan verzoeken de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van het voornemen van de student om een deel van zijn studie in de tweede lidstaat te volgen. De meeste lidstaten, waaronder BE, vereisen dat deze kennisgeving wordt gedaan door de gastinstelling voor hoger onderwijs.
     
  • Om in aanmerking te komen voor de mobiliteitsbepalingen van Richtlijn 2016/801 moeten studenten ofwel (a) een bewijs van deelname aan een EU-programma van een multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs kunnen voorleggen, ofwel (b) een verblijfsvergunning met de vermelding “student - mobiliteitsprogramma” kunnen voorleggen. De meeste lidstaten vereisen het eerste type document (bewijs van mobiliteitsovereenkomst), maar sommige lidstaten melden ook dat ze beide accepteren (of vereisen). In BE is zowel een bewijs van mobiliteit als een bewijs van een geldige verblijfsvergunning in de eerste lidstaat vereist.

Meer informatie vindt u in de bijgevoegde compilatie van antwoorden.

Publication Date:
do 18 jul 2024
Geografie:
Hoofdthema:
Publicatietype:
Opdrachtgever:
EMN
Trefwoorden: