Ad Hoc Vraag over de erkenning van Palestina als Staat
Deze ad hoc vraag brengt de status in kaart van de erkenning van Palestina als soevereine Staat door EMN‑leden en de daaruit voortvloeiende administratieve praktijken met betrekking tot staatloosheid en burgerschap voor personen afkomstig uit de Palestijnse gebieden.
Download publication
Achtergrond:
Op 28 mei 2024 erkende Noorwegen Palestina formeel als een onafhankelijke Staat. Deze erkenning leidde tot de uitvaardiging van richtlijnen waarin werd gesteld dat personen die als burgers van Palestina worden beschouwd, niet langer in aanmerking komen voor de minder strikte naturalisatieregels die gelden voor staatlozen. UNHCR adviseerde Noorwegen echter om deze richtlijnen te herzien om te waarborgen dat ze in overeenstemming zijn met het Verdrag van 1954 betreffende de Status van Staatlozen, aangezien Palestina geen nationaliteitswet heeft. Naar aanleiding van deze urgentie werd informatie opgevraagd bij andere EMN‑leden om inzage te krijgen in hun juridische kaders en praktijken.
Respondenten:
19 EMN-leden (inclusief BE) hebben een openbaar antwoord op deze ad hoc vraag verstrekt.
Bevindingen:
Een voorlopige analyse van de resultaten van deze ad hoc vraag toont aan dat:
- De erkenning van Palestina als soevereine Staat aanzienlijk verschilt tussen EMN‑leden. Verschillende landen erkenden Palestina al decennia geleden (waaronder BG en CY in 1988, evenals PL, SE en SK). Andere landen hebben recent erkenning verleend, zoals NO en IE in mei 2024, SI in juni 2024 en LU in september 2025. Veel EMN-leden die een antwoord hebben verstrekt (waaronder AT, BE, CZ, EE, FI, DE, IT, LV, LT en NL) erkennen Palestina echter momenteel niet als soevereine Staat.
- De vaststelling van staatloosheid voor personen uit Gaza, de Westelijke Jordaanoever of Oost‑Jeruzalem wordt door EMN‑leden op uiteenlopende wijze behandeld. Sommige landen (waaronder CZ, CY, LT en PL) beschouwen deze personen nog steeds als staatloos. Daarentegen beschouwen andere landen (zoals BG, SK en SI) hen niet als staatloos indien zij geldige identiteitsdocumenten bezitten die zijn afgegeven door de Palestijnse autoriteiten. In BE wordt de staatloosheidsstatus bepaald door onafhankelijke rechtbanken, wat leidt tot niet‑uniforme rechtspraak in het geval van Palestijnen.
- Het merendeel van de EMN-leden hebben geen speciale, minder strikte bepalingen voor Palestijnse onderdanen voor het verkrijgen van nationaliteit in geval van staatloosheid. De meerderheid van de EMN‑leden (waaronder BG, CY, IE, PL, SK, SI en SE) sluit personen die als Palestijnse onderdanen worden beschouwd uit van deze eenvoudigere trajecten. Opvallende uitzonderingen zijn LU, waar Palestijnen met een vluchtelingen‑ of staatlozenstatus gebruik kunnen maken van vereenvoudigde procedures, en LT, dat specifieke waarborgen biedt om te voorkomen dat kinderen van staatloze ouders staatloos blijven.
- Het voornaamste criterium voor het bepalen van de Palestijnse nationaliteit is het bezit van officiële documenten. De meeste EMN‑leden (waaronder BG, CY, SK, SI en SE) beschouwen het bezit van een Palestijns paspoort of identiteitskaart met een geldig identificatienummer als voldoende bewijs van nationaliteit. Sommige EMN‑leden houden in hun beoordeling ook rekening met registratie bij UNRWA. Over het algemeen rapporteerden EMN‑leden dat hun toepassing van deze criteria niet is gewijzigd ondanks de recente gebeurtenissen in de Palestijnse gebieden.
Voor meer details kunt u de hierboven toegevoegde compilatie van antwoorden raadplegen.