Ad Hoc Vraag over aanvragen voor tijdelijke bescherming door personen met een dubbele nationaliteit
In deze ad hoc vraag wordt onderzocht of de EMN-lidstaten in hun huidige wetgeving bepalingen hebben die het mogelijk maken om een aanvraag voor tijdelijke bescherming van een Oekraïens staatsburger af te wijzen enkel op basis van het feit dat de aanvrager ook de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft. Daarnaast wordt onderzocht hoe de EMN-lidstaten te werk gaan wanneer zij dergelijke aanvragen ontvangen.
Achtergrond:
De Richtlijn Tijdelijke Bescherming (Richtlijn 2001/55/EG van de Raad) werd door de Raad voor het eerst in werking gesteld in reactie op de Russische inval in Oekraïne op 24 februari 2022. Het doel was om snelle en doeltreffende hulp te bieden aan mensen die de oorlog in Oekraïne ontvluchten. Op 4 maart 2022 nam de Raad Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 aan, waarbij werd vastgesteld dat er sprake was van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van de richtlijn tijdelijke bescherming, met als gevolg de invoering van tijdelijke bescherming. Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 passen de lidstaten hetzij dit besluit, hetzij een adequate bescherming uit hoofde van hun nationale wetgeving toe op staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij vóór 24 februari 2022 legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning die overeenkomstig de Oekraïense wetgeving is afgegeven, en die niet onder veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van herkomst kunnen terugkeren.
Het Sloveense contactpunt bij het EMN heeft deze ad hoc vraag gesteld om informatie te verzamelen over bepalingen in hun huidige wetgeving die het mogelijk maken om een aanvraag voor tijdelijke bescherming door een Oekraïense onderdaan af te wijzen enkel op basis van het feit dat de aanvrager ook de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft.
Respondenten:
22 EMN Lidstaten (waaronder BE) beantwoordden deze ad hoc vraag (en gaven aan dat hun antwoord publiek mag worden gemaakt).
Bevindingen:
Een voorlopige analyse van de resultaten van de ad hoc vraag laat zien dat:
- Slechts 6 EU-lidstaten (CZ, DE, NL, SK, ES, SE) expliciet melding maken van bepalingen in hun huidige wetgeving die het mogelijk maken een aanvraag voor tijdelijke bescherming af te wijzen enkel en alleen omdat de Oekraïner de nationaliteit van een EU-lidstaat bezit. In CZ bijvoorbeeld is een aanvraag voor tijdelijke bescherming niet-ontvankelijk als deze wordt ingediend door een vreemdeling die (1) een EU-burger is, of (2) onderdaan is van een staat die gebonden is door een internationaal verdrag waarover met de EU is onderhandeld en waaraan hij een recht op vrij verkeer ontleent dat gelijkwaardig is aan dat van EU-burgers, of (3) onderdaan is van een staat die gebonden is door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. In ES worden “ontheemden” gedefinieerd als onderdanen van landen die geen EU-lidstaat zijn.
- Zelfs als een EU-lidstaat geen specifieke bepaling heeft, kan tijdelijke bescherming voor personen met een dubbele nationaliteit toch worden geweigerd op grond van andere wetgeving. In BE bijvoorbeeld kan tijdelijke bescherming worden geweigerd als de Oekraïense onderdaan toestemming heeft om in een andere EU-lidstaat te verblijven die verplicht is om het besluit van de Raad van de EU na te leven. In verschillende EU-lidstaten, zoals BG, EE, FI, FR, EL, IE, LV en PL, wordt de aanvraag waarschijnlijk afgewezen en wordt geen tijdelijke bescherming verleend, omdat de aanvrager niet voldoet aan de definitie van ontheemde of vreemdeling (onderdaan van een derde land of staatloze) volgens de wetgeving inzake tijdelijke bescherming.
Meer informatie vindt u in de compilatie van antwoorden in bijlage.