Ad Hoc Vraag over afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU
EMN Zweden heeft een ad hoc vraag gesteld over het afgeleide verblijfsrecht van een gezinslid met de nationaliteit van een derde land op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU). Deze vragen werden gesteld in het kader van de analyse van het Zweedse migratieagentschap van het arrest van het HvJEU in de gevoegde zaken C-451/19 en C-532/19 (XU en QP).
Achtergrond:
In dit arrest worden soortgelijke vragen en situaties geanalyseerd als in de zaken Ruiz Zambrano (C-34/09), K.A. (C-82/16) en Chavez-Vilchez (C-133/15). Deze laatste zaken hadden onder meer betrekking op het afgeleide verblijfsrecht van volwassenen uit derde landen met wie een EU-minderjarige een afhankelijkheidsrelatie heeft. Meer in het bijzonder heeft het Hof van Justitie in deze zaken verduidelijkt dat volwassenen uit derde landen een afgeleid verblijfsrecht kunnen genieten op grond van artikel 20 VWEU wanneer er een afhankelijkheidsrelatie bestaat met een EU-minderjarige en de minderjarige het effectieve genot zou worden ontzegd van de belangrijkste aan de status van EU-burger verbonden rechten. Deze situatie verschilt in beginsel van de situatie van een familielid uit een derde land van een EU-burger die onder het toepassingsgebied van de richtlijn burgerschap (Richtlijn 2004/38/EG) valt. Artikel 3, lid 1, van laatstgenoemde richtlijn bepaalt immers dat deze alleen van toepassing is op alle EU-burgers die verhuizen naar of verblijven in een andere lidstaat dan die waarvan zij onderdaan zijn, en op hun familieleden (...) die hen vergezellen of zich bij hen voegen (...).
De ad-hoc query bevat vragen over de bewijsvereisten voor identiteit en de bijzondere afhankelijkheidsrelatie.
Respondenten:
België, Bulgarije, Cyprus, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Letland, Litouwen, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië en Zweden hebben de vragen beantwoord.
Bevindingen:
Hier volgen enkele bevindingen op basis van de compilatie van antwoorden:
Wat betreft het type document dat vereist is om de identiteit van de derdelander- afhankelijke te bewijzen, verwijzen de meeste lidstaten naar een (geldig) paspoort (zoals CY, ES, FI, HU, LT, LU, LV, NL, PT en SE), andere landen (zoals BE, BU, EE, FR en SL) verwijzen naar een geldig identiteitsdocument en weer andere naar een reisdocument (CZ en HR).
De meeste lidstaten staan echter een uitzondering op de algemene regel toe (BU, CY, EE FI, NL, SE en SL). Andere landen (zoals BE, FR, LT, LU, LV en PT) staan geen uitzonderingen toe, ook al hebben BE en LU aangegeven dat ze in de praktijk wel uitzonderingen toestaan (maar niet in de wet).
Wat de afhankelijkheidsrelatie betreft, gaven de meeste lidstaten aan dat ze dit geval per geval analyseren (zoals BE, CY, CZ, FI, HI, LT, PT en SK). Andere landen verwijzen naar criteria die zijn vastgelegd in nationale wetgeving (zoals BU, FR en NL) of jurisprudentie van het HvJEU (HU).
De weerlegbaarheid van een afhankelijkheidsrelatie van een EU-minderjarige wordt op verschillende manieren geïmplementeerd. Sommige lidstaten verwijzen bijvoorbeeld duidelijk naar het belang van het kind en betrekken de sociale diensten bij de besluitvorming (zoals CY en HR).
Wat betreft de procedure voor het aanvragen van een verblijfsvergunning voor of na binnenkomst, of zowel voor als na binnenkomst, verschillen de praktijken. BE, CZ, EE, FI, HI, LT en LV geven aan dat aanvragen in principe zowel vóór als na binnenkomst kunnen worden ingediend. BU, CY, ES, FR, LU, NL, PT en SE geven aan dat dergelijke verzoeken in principe alleen na binnenkomst kunnen worden ingediend. In het geval van FR kan een onlineaanvraag vanaf elke plaats worden ingediend, maar voor de behandeling van de aanvraag moet het gezinslid op het nationale grondgebied aanwezig zijn.
Wat betreft het type verblijfsvergunning of verblijfskaart dat wordt afgegeven aan personen met een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU, verwijzen BE en SK naar de verblijfsvergunning voor familieleden van een EU-burger. Alle andere landen lijken te verwijzen naar andere (nationale/ad hoc) soorten vergunningen.
Lees voor meer informatie de compilatie van antwoorden in de bijlage hierboven.