Tijdige beslissingen zijn cruciaal voor effectieve beroepsprocedures bij weigering van studentenvisa, oordeelt EU-Hof
Op 19 juni 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een uitspraak gedaan naar aanleiding van een verwijzingsvraag van de Franstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel over beroepsprocedures na weigering van studentenvisa. De verwijzing volgde op zorgen geuit door Belgische advocaten en de NGO CIRÉ, die benadrukten dat late kennisgeving van weigeringen vaak verhindert dat studenten effectief beroep kunnen instellen. Het Hof verduidelijkte dat, hoewel geen spoedprocedure verplicht is, nationale systemen moeten waarborgen dat visumbeslissingen en daaraan gerelateerde beroepsprocedures tijdig worden afgehandeld, zodat een zinvolle rechterlijke toets mogelijk is.
De zaak ontstond naar aanleiding van zorgen dat niet-EU-studenten wier visumaanvragen worden geweigerd vaak te laat bericht krijgen – doorgaans tussen augustus en oktober – om een beroepsprocedure te starten en af te ronden vóór het begin van het academische jaar. In 2023 verwees de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel vragen aan het Hof van Justitie, met het verzoek om opheldering over de vraag of het EU-recht België verplicht om een uitzonderlijke beroepsprocedure te voorzien onder omstandigheden van extreme urgentie, en of het beroepsorgaan gemachtigd moet zijn om een eigen visumbeslissing te nemen in plaats van die van de administratie.
In haar uitspraak oordeelde het Hof dat artikel 34, lid 5, van Richtlijn 2016/801, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, geen specifieke beroepsprocedure onder extreme urgentie voorschrijft. Wel benadrukte het dat het recht op een doeltreffend rechtsmiddel in de praktijk moet worden gegarandeerd. Dit omvat naleving van de 90-dagen termijn voor het beslissen over volledige visumaanvragen en het waarborgen dat de beroepsprocedure de snelle aanneming van een nieuwe beslissing mogelijk maakt indien nodig.
Met betrekking tot de tweede vraag stelde het Hof vast dat lidstaten niet verplicht zijn om beroepsrechters te laten beslissen in plaats van de administratie. Nietigverklaring blijft voldoende, mits dit leidt tot een snelle nieuwe beslissing door de autoriteiten. Wat telt, onderstreepte het Hof, is dat de voorwaarden waaronder het beroep wordt uitgeoefend moeten toelaten dat binnen korte tijd een nieuwe beslissing wordt genomen, in overeenstemming met het vonnis waarin de initiële weigering wordt vernietigd.
Voor meer details kunt u de uitspraak van het Hof lezen in zaak C‑299/23.